Verzuim en redelijke termijn voor de nakoming

Advocatuur 19 december 2019 2 min. leestijd

Op 11 oktober 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1581) oordeelde de Hoge Raad dat de overeenkomst tussen Fraanje B.V. (hierna: Fraanje) en Alukon B.V. (hierna: Alukon) rechtsgeldig is ontbonden. In deze zaak gaat het om het project Sportpunt Zeeland te Goes, waarvan Fraanje de hoofdaannemer was. In het kader van de uitvoering van dit project heeft Fraanje een overeenkomst van onderaanneming gesloten met Alukon. Na een periode van discussie en correspondentie over de termijn en de kwaliteit van de nakoming door Alukon, besluit Fraanje de overeenkomst te ontbinden. Getwist werd over de vraag of Alukon reeds in verzuim verkeerde, hetgeen vereist is voor een rechtsgeldige ontbinding.

 

Hoge Raad

In de praktijk zien wij vaak een termijn van veertien tot dertig dagen voor de nakoming. Hier bepaalt de Hoge Raad echter dat de lengte van de termijn voor nakoming afhangt van de omstandigheden van het geval. Opmerkelijk in deze zaak is dat de eerder door Fraanje gestelde termijnen geen fataal karakter hadden en dat de eerdere sommaties niet aan de vereisten van een ingebrekestelling voldeden. Toch kunnen deze omstandigheden leiden tot een verkorting van de termijn die een schuldenaar bij een daarop volgende aanmaning moet worden gegeven om na te komen, bij gebreke van welke nakoming de schuldenaar in verzuim komt.

 

Aangezien artikel 6:83 BW geen limitatieve opsomming betreft, oordeelde de Hoge Raad dat de omstandigheden van het geval met zich mee kunnen brengen dat het verzuim van de schuldenaar ook intreedt indien de schuldenaar niet of niet toereikend reageert op een verzoek van de schuldeiser om binnen een redelijke termijn toe te zeggen dat hij binnen een gestelde, eveneens redelijke, termijn zal nakomen, of om zich binnen een redelijke termijn uit te laten over de wijze waarop en de termijn waarbinnen hij door de schuldeiser omschreven gebreken in de uitvoering van de overeenkomst zal herstellen. Wat in dat verband als een redelijke termijn voor de uitlating van de schuldenaar is, hangt af van de omstandigheden van het geval.

 

Bij de beoordeling of uit de reactie van de schuldenaar blijkt dat hij niet tijdig of niet behoorlijk zal nakomen, zijn volgens de Hoge Raad  ook latere feiten en omstandigheden van belang. Dit betekent dat niet alleen de gebeurtenissen voor maar ook na de feitelijke ontbinding relevant zijn voor de beoordeling of Fraanje terecht tot ontbinding is overgegaan.

 

Voor deskundig advies omtrent uw aannemingsovereenkomst en overige vastgoed zaken, kunt u contact opnemen met het vastgoedteam bij VDB Advocaten.

Terug